Dromen

Deze teksten zijn korte en zo helder mogelijke reportages uit mijn redelijk fascinerende droomwereld.

Mijn dromen, deel vijftien

18 January 2010

images.jpeg

Ik sta in een weiland. Het ruikt enorm naar koeienvlaaien en besmette kippen. Opeens komt er een man uit een gat in de grond gekropen. Het is Ron Brandsteder. Hij is gekleed in een glimmend blauw showpak en het verstrijken der jaren heeft zijn spontane en charmant onhandige uitstraling geheel intact gelaten. ‘Hee Ron, hoe gaat ie?’, informeer ik losjes.
Hij geeft geen antwoord maar kijkt me slechts aan. Dan begint hij te lachen. Onmiddellijk houdt hij schuldbewust een hand voor zijn mond, maar hij kan niet ophouden. Vanachter de hand proest hij gestaag verder.
‘Wat is er zo grappig, Ron?’, vraag ik.
Ron begint nu hevig te schokschouderen. ‘Hou op Andre, je maakt me gek’. kraait hij.
‘Ik ken geen Andre’, roep ik.
‘Hahaa, wat een geweldige timing!’, schatert Ron.
Dan voel ik iets op mijn hoofd. Ik haal er een voorwerp van af. Het is een fluitketel. Ik bedenk me geen ogenblik en sla Ron met de ketel keihard op zijn neus.
Vlak voor hij bewusteloos in het gras neerstort zegt hij nog: ‘ Je bent een genie, Andreetje!’
Ik schrik wakker.

Mijn dromen, deel veertien

13 November 2009

images6.jpeg

Ik zit in een greppel. Het is koud en nat en ik ben omringd door zenuwachtige soldaten. Een paar knagen aan hun vingers, anderen spelen met hun pistool. Ik wil roepen dat ik hier niet thuis hoor, maar er komt geen geluid uit mijn mond. Er klinkt een schot, en een seconde later vliegt mijn hoofd van mijn lichaam. Het stuitert als een voetbal de greppel uit en plonst recht in een riviertje.
Al dobberend overweeg ik hoe mijn leven er voortaan uit zal zien, zo zonder armen, benen, lichaam en nek. Veel minder gedoe, waarschijnlijk. Ik begin ‘Vader Jacob’ te fluiten. Dan zink ik langzaam naar de bodem.
Ik schrik wakker.

Mijn dromen, deel dertien

11 November 2009

images5.jpeg

Ik zit in een roeibootje. Langzaam maar gestaag werkt het zich door een slingerend riviertje. Ik hoor een paar vogels kwetteren. Ze klinken vermoeid, alsof ze last hebben van de droge hitte die als een verstikkende deken over de middag hangt. Ik zit achterin en kijk naar het mannetje dat voorin aan het roeien is. Het is M Night Shamelamulamulamulam, de regisseur van ‘The Sixht Sense’, ‘Unbreakable’, en ‘Signs’.
We varen op een laag tempo en het water dat ritmisch tegen de boot aanplonst verzorgt een rustgevende soundtrack. Toch voel ik me niet op mijn gemak. Ik vertrouw M Night niet. Het kost me enkele minuten om moed te verzamelen, maar dan stel ik mijn medepassagier een vraag.
‘Komt er nou straks een twist?’, vraag ik.
M Night roeit door en het lijkt eerst alsof hij de vraag niet heeft gehoord. ‘Hoezo?’, vraagt hij dan opeens.
‘Nou, dat is toch altijd in jouw films. Dan lijkt alles in orde en opeens gebeurt er iets raars waardoor alles anders is’.
‘M Night schudt zijn kleine hoofd. ‘Ik weet niet wat je bedoelt’, zegt hij. Dan stopt hij met roeien en wijst naar een plek achter me. ‘Kijk dan, een gespikkelde botervlinder’, roept hij enthousiast.
Uit beleefdheid kijk ik om. Ik zie niets. Het volgende moment splijt mijn hoofd open van de pijn. Ik ga naar de grond en het laatste dat ik zie is M Night die met een bebloede roeispaan over me heen gebogen staat. ‘Gefopt’, zegt hij. ‘Ik ben eigenlijk helemaal geen aardige gast. Het was allemaal niet waar!’
Ik schrik wakker.

Mijn dromen, deel twaalf

8 November 2009

images3.jpeg

Ik ben de broer van Tom Cruise. We rijden samen in een Opel Datsun door Noord-Duitsland, op zoek naar de zin van ons leven. Ik beweeg vrijwel de hele tijd spastisch met mijn handen en roep dingen als ‘afdruiprek’, en ‘driezitsbank’ zonder aanwijsbare reden. We stoppen bij een wegrestaurant. Tom bestelt een uitsmijter en een paar extra kussentjes voor op zijn stoel. Ik neem de kroketten met friet. Wanneer de serveerster onze bestelling brengt stoot ze een beker met tandenstokers om. De beker valt kapot op de grond en de tandenstokers verspreiden zich over de vloer van het restaurant. Ik kijk naar de stokertjes en roep instinctief: ‘zevenenveertig!’
De serveerster verontschuldigt zich, haalt veger en blik en ruimt de stokers op. Voor ze wegloopt tikt ze me op de schouder. Ik keer mijn hoofd naar haar toe; een halve kroket onopgegeten in mijn mond.
‘Wat nou zevenenveertig?’, zegt de serveerster.
‘Het waren er vijfentwintig. Ben jij een debiel of zo?’
Tom knikt bevestigend. Dan vraagt hij nog twee extra kussentjes.
Ik schrik wakker.

Mijn dromen, deel elf

7 November 2009

images2.jpeg

Ik zit thuis op een stoel naar het plafond te staren. Na een paar minuten tracht ik op te staan, maar hoe hard ik het ook probeer, het lukt niet. Ik werp een zijdelingse blik op de spiegel en zie dan waarom: ik ben zo vet als een volwassen nijlpaard met zware botten. Ik besef dat iemand me zal moeten helpen. Ik pak mijn mobiel om de politie te bellen, maar ik kan de toetsen niet bedienen met mijn worstvingers. De telefoon glibbert uit mijn hand en valt op de vloer. Urenlang schreeuw ik uit volle borst om help, totdat een buurman me in de namiddag eindelijk hoort. De brandweer wordt gebeld en vijf brandweermannen tillen me uit mijn stoel. Ik werp een blik op mijn voordeur en besef dat ik er niet meer doorheen pas. Ik vraag de brandweer of ze de zijkant van mijn huis willen slopen, zodat ik naar buiten kan om een luchtje te scheppen. De brandweer doet wat ik vraag en ik rol gezellig naar buiten. Daarna word ik naar de Aldi getakeld, waar ik een voordeelzak snickers, drie tompoezen, twintig zakken paprika chips en een rolletje mentos koop. Ik wil ook nog een paar kilo spareribs, maar die zijn niet op voorraad.
Maakt niet uit, ik ben toch aan het lijnen.
Op de weg terug naar huis krijg ik opeens geweldig veel zin om te gaan breakdancen. Ik ga naar de grond en begin te grooven op de muziek in mijn eigen hoofd.
Er vormt zich al snel een groepje mensen om me heen dat me toejuicht en ritmisch klapt, onder het herhalen van de yell’ Go fatboy, go fatboy’.
Opeens gaat mijn breakdanceperformance over in een zware hartaanval. Ik probeer om hulp te roepen, maar het uitzinnige publiek denkt dat mijn stuiptrekkingen bij de act horen, en hun enthousiaste gejuich overstemt mijn doodsgereutel.
‘Kijk, er komt slijm uit zijn mond’, roept een mooi jong meisje. Dan voel ik een steek in mijn hart.
Ik schrik wakker.

Mijn dromen, deel tien

5 November 2009

images1.jpeg

Ik ben in de toekomst. Ik zit op een doorschijnende, futuristische bank naar het zevenendertigste seizoen van ‘24’ te kijken. Jack Bauer heeft precies 24 uur de tijd om een kruiswoordpuzzel op te lossen, voordat de nare hoofdverpleegster in het verzorgingstehuis zijn krant afpakt. Ik klop op het scherm en Jack kijkt me aan. Hij is oud geworden. Oud en lelijk.
‘Wie weet had je op het hoogtepunt moeten stoppen, Jackie-boy’, roep ik. Ik klink erg familiaar voor iemand die Jack alleen van tv kent.
Jack klopt op het scherm, alsof hij uit de televisie wil ontsnappen. ‘Help me’, fluistert hij. ‘Ze willen me niet laten gaan. En ik heb zojuist in mijn broek gescheten’.
Ik voel medelijden met Jack, maar aan de andere kant vind ik het ook een onsmakelijke oude vent. De walging wint het. Ik zet de tv uit.
Naast me ligt de Mikrogids. Ik blader naar pagina negen. Daar staat het in grote schreeuwerige letters aangekondigd: ‘Vanaf januari op net 7, ‘24’, seizoen 38. Jack heeft in zijn broek gescheten en hij heeft 24 uur om een wc te vinden’.
Ik schrik wakker.

Mijn dromen, deel negen

2 November 2009

images.jpeg

Ik sta in het laboratorium van professor Barabas. Hij is bezig met een experiment en vraagt of ik hem wil assisteren. Terwijl we een konijn aan het ontleden zijn stel ik hem een vraag.
‘Professor, Waarom bent U niet met de teletijdmachine terug in de tijd gegaan om Hitler te stoppen?’
Eerst ontwijkt Barabas de vraag, maar wanneer ik aanhoudt legt hij het bloederige konijn opzij en pakt mijn hand.
‘Omdat het niets zou hebben uitgemaakt’, zegt hij. ‘Je kunt het verleden niet veranderen, je kunt er alleen jolige avonturen beleven’.
Barabas loopt naar een tafeltje waarop een vreemd, langwerpig apparaat ligt.
Hij pakt het en houdt het voor mijn neus.
‘Nee, die teletijdmachine, dat is niks’, zegt hij, ‘maar dit daarentegen, dit is de toekomst!’
Hij zwaait met het apparaat en begint triomfantelijk te lachen. Wanneer hij weer spreekt, is zijn stem zwanger van emotie
‘Dit is een Telezaproosterdildo’, zegt de professor.
‘Een afstandbediening die je ook kunt gebruiken als dildo en waarmee je brood kunt roosteren!’
Barabas vraagt of ik een demonstratie wil zien. Ik schud van nee.
Ik schrik wakker.

Mijn dromen, deel acht

28 October 2009

images9.jpeg

Ik word gebeld door de krant. Ze willen een interview met me. Ik blijk de enig overgebleven Nederlander te zijn zonder eigen tv-programma. In een klein cafeetje wacht ik op de journalist. Ik heb een bak met kapucijners over mijn hoofd uitgegoten om niet te arrogant over te komen. Om me heen hoor ik geroezemoes. ‘Kijk, dat is die gast zonder eigen tv-programma. Wow, wat super interessant.’
Ik glimlach en bereid me voor op mijn toekomstige faam. Dan begint mijn hand te rinkelen. Het is de journalist. Hij belt af, want in Goorle is een bunzing gevonden die vloeiend Frans spreekt, al is het dan met een zwaar Nederlands accent. Terwijl ik mijn tosti eet vervloek ik in stilte de bunzing. Verdomde, rottige, briljante bunzing.
Ik schrik wakker.

Mijn dromen, deel zeven

26 October 2009

images8.jpeg

Ik loop in de sneeuw. Ik zie geen hand voor ogen; er is alleen maar mist en kou. Dan hoor ik hoor geschreeuw uit de verte. Ik begin te rennen. Het geschreeuw houdt aan en wordt harder. Eerst denk ik nog dat het de doodskreet is van een dier is dat wordt gevild, maar als ik op vijftig meter ben besef ik dat deze geluiden worden gemaakt door een mens. Dan zie ik het. Een paar kinderen zijn aan het intrappen op een oudere man. Wanneer ze me ontwaren, zetten ze het op een lopen. Lafaards. Ik loop naar de oude man. Hij ligt languit op de grond. Wanneer ik op minder dan een meter van hem ben, keert hij zich op.
Het is de Kerstman.
‘Ho ho ho’, zegt hij.
Maar het klinkt niet vrolijk. Het klinkt zwaar sarcastisch.
‘Gaat het?’, vraag ik.
De Kerstman rochelt op de grond, langdurig en met veel geweld. Dan kijkt hij me aan.
‘Je denkt zeker dat je punten hebt gescoord?’, vraagt hij. ‘Omdat je ‘vadertje kerstmis’ hebt gered. Denk je dat je nou meer cadeautjes krijgt? Vergeet het maar, smerige parasiet. Een bak met kots kan je krijgen’.
De Kerstman veegt wat bloed van zijn mond en zet dan een zonnebril op. Zonder me nog een keer aan te kijken schuifelt hij weg bij me vandaan.
‘Tonto, Barry, Klazina, waar zijn jullie?’, is het laatste dat ik hem hoor roepen.
Ik schrik wakker.

Mijn dromen, deel zes

26 October 2009

images7.jpeg

Ik kijk uit mijn raam en zie in de verte een kernbom ontploffen. Twee seconden later is mijn huis omringd door een leger van gemuteerde zombies die grommend en schreeuwend op mijn voordeur afwaggelen. Een van de zombies loopt wat kwieker dan de rest. Ik kijk eens goed. Het is geen zombie, maar mijn kapper, Gert de Bussonaire.
Ik steek mijn hoofd door het raam.
‘Zijn wij de enige overlevenden?’, schreeuw ik.
‘Ik ben dood’, roept een zombie.
‘Ik heb het niet tegen jou, ik heb het tegen mijn kapper’, schreeuw ik.
‘Hoezo heb jij een eigen kapper?’, vraagt een andere zombie.
‘Het is niet echt ‘mijn’ kapper, maar ik kom wel eens in zijn winkel’, schreeuw ik.
Opeens voel ik een prik in mijn nek. Ik draai me om en kijk recht in het gezicht van Gert du Busonairre.
Zijn magere gezicht is bezweet en zijn oranje hanenkam hangt als een dikke spaghettisliert van zijn voorhoofd. Ik lees angst in zijn ogen. Angst vermengd met kloeke vastberadenheid.
‘We hadden voor vandaag een afspraak’, zegt Gert met raspende stem. ‘Mijn winkel is opgeblazen, dus ik dacht: ik kom op huisbezoek. Ik vind het einde van de wereld geen reden om je werk te versloffen. Heb ik gelijk of niet?’.
Hij begint me te knippen, en terwijl we de horde zombies langzaam de trap horen opkomen, probeert hij manmoedig de sfeer erin te houden.
‘Het is me wat, he? Met al die kernbommen en dooien’, babbelt hij.
In de reflectie van het raam zie ik een zombie opdoemen achter Gert. Ik wil hem waarschuwen, maar ik besef dat ik er geen zin in heb.
Voordat Gerts hoofd van zijn romp wordt gerukt, spreekt hij nog een laatste zin.
‘Trouwens, het was technisch gesproken niet echt ‘mijn’ winkel. Ik werkte er alleen maar’.
Ik schrik wakker.

« Previous Entries