13 November 2009

Ik zit in een greppel. Het is koud en nat en ik ben omringd door zenuwachtige soldaten. Een paar knagen aan hun vingers, anderen spelen met hun pistool. Ik wil roepen dat ik hier niet thuis hoor, maar er komt geen geluid uit mijn mond. Er klinkt een schot, en een seconde later vliegt mijn hoofd van mijn lichaam. Het stuitert als een voetbal de greppel uit en plonst recht in een riviertje.
Al dobberend overweeg ik hoe mijn leven er voortaan uit zal zien, zo zonder armen, benen, lichaam en nek. Veel minder gedoe, waarschijnlijk. Ik begin ‘Vader Jacob’ te fluiten. Dan zink ik langzaam naar de bodem.
Ik schrik wakker.
11 November 2009

Ik zit in een roeibootje. Langzaam maar gestaag werkt het zich door een slingerend riviertje. Ik hoor een paar vogels kwetteren. Ze klinken vermoeid, alsof ze last hebben van de droge hitte die als een verstikkende deken over de middag hangt. Ik zit achterin en kijk naar het mannetje dat voorin aan het roeien is. Het is M Night Shamelamulamulamulam, de regisseur van ‘The Sixht Sense’, ‘Unbreakable’, en ‘Signs’.
We varen op een laag tempo en het water dat ritmisch tegen de boot aanplonst verzorgt een rustgevende soundtrack. Toch voel ik me niet op mijn gemak. Ik vertrouw M Night niet. Het kost me enkele minuten om moed te verzamelen, maar dan stel ik mijn medepassagier een vraag.
‘Komt er nou straks een twist?’, vraag ik.
M Night roeit door en het lijkt eerst alsof hij de vraag niet heeft gehoord. ‘Hoezo?’, vraagt hij dan opeens.
‘Nou, dat is toch altijd in jouw films. Dan lijkt alles in orde en opeens gebeurt er iets raars waardoor alles anders is’.
‘M Night schudt zijn kleine hoofd. ‘Ik weet niet wat je bedoelt’, zegt hij. Dan stopt hij met roeien en wijst naar een plek achter me. ‘Kijk dan, een gespikkelde botervlinder’, roept hij enthousiast.
Uit beleefdheid kijk ik om. Ik zie niets. Het volgende moment splijt mijn hoofd open van de pijn. Ik ga naar de grond en het laatste dat ik zie is M Night die met een bebloede roeispaan over me heen gebogen staat. ‘Gefopt’, zegt hij. ‘Ik ben eigenlijk helemaal geen aardige gast. Het was allemaal niet waar!’
Ik schrik wakker.
8 November 2009

Ik ben de broer van Tom Cruise. We rijden samen in een Opel Datsun door Noord-Duitsland, op zoek naar de zin van ons leven. Ik beweeg vrijwel de hele tijd spastisch met mijn handen en roep dingen als ‘afdruiprek’, en ‘driezitsbank’ zonder aanwijsbare reden. We stoppen bij een wegrestaurant. Tom bestelt een uitsmijter en een paar extra kussentjes voor op zijn stoel. Ik neem de kroketten met friet. Wanneer de serveerster onze bestelling brengt stoot ze een beker met tandenstokers om. De beker valt kapot op de grond en de tandenstokers verspreiden zich over de vloer van het restaurant. Ik kijk naar de stokertjes en roep instinctief: ‘zevenenveertig!’
De serveerster verontschuldigt zich, haalt veger en blik en ruimt de stokers op. Voor ze wegloopt tikt ze me op de schouder. Ik keer mijn hoofd naar haar toe; een halve kroket onopgegeten in mijn mond.
‘Wat nou zevenenveertig?’, zegt de serveerster.
‘Het waren er vijfentwintig. Ben jij een debiel of zo?’
Tom knikt bevestigend. Dan vraagt hij nog twee extra kussentjes.
Ik schrik wakker.
7 November 2009

Ik zit thuis op een stoel naar het plafond te staren. Na een paar minuten tracht ik op te staan, maar hoe hard ik het ook probeer, het lukt niet. Ik werp een zijdelingse blik op de spiegel en zie dan waarom: ik ben zo vet als een volwassen nijlpaard met zware botten. Ik besef dat iemand me zal moeten helpen. Ik pak mijn mobiel om de politie te bellen, maar ik kan de toetsen niet bedienen met mijn worstvingers. De telefoon glibbert uit mijn hand en valt op de vloer. Urenlang schreeuw ik uit volle borst om help, totdat een buurman me in de namiddag eindelijk hoort. De brandweer wordt gebeld en vijf brandweermannen tillen me uit mijn stoel. Ik werp een blik op mijn voordeur en besef dat ik er niet meer doorheen pas. Ik vraag de brandweer of ze de zijkant van mijn huis willen slopen, zodat ik naar buiten kan om een luchtje te scheppen. De brandweer doet wat ik vraag en ik rol gezellig naar buiten. Daarna word ik naar de Aldi getakeld, waar ik een voordeelzak snickers, drie tompoezen, twintig zakken paprika chips en een rolletje mentos koop. Ik wil ook nog een paar kilo spareribs, maar die zijn niet op voorraad.
Maakt niet uit, ik ben toch aan het lijnen.
Op de weg terug naar huis krijg ik opeens geweldig veel zin om te gaan breakdancen. Ik ga naar de grond en begin te grooven op de muziek in mijn eigen hoofd.
Er vormt zich al snel een groepje mensen om me heen dat me toejuicht en ritmisch klapt, onder het herhalen van de yell’ Go fatboy, go fatboy’.
Opeens gaat mijn breakdanceperformance over in een zware hartaanval. Ik probeer om hulp te roepen, maar het uitzinnige publiek denkt dat mijn stuiptrekkingen bij de act horen, en hun enthousiaste gejuich overstemt mijn doodsgereutel.
‘Kijk, er komt slijm uit zijn mond’, roept een mooi jong meisje. Dan voel ik een steek in mijn hart.
Ik schrik wakker.
5 November 2009

Ik ben in de toekomst. Ik zit op een doorschijnende, futuristische bank naar het zevenendertigste seizoen van ‘24’ te kijken. Jack Bauer heeft precies 24 uur de tijd om een kruiswoordpuzzel op te lossen, voordat de nare hoofdverpleegster in het verzorgingstehuis zijn krant afpakt. Ik klop op het scherm en Jack kijkt me aan. Hij is oud geworden. Oud en lelijk.
‘Wie weet had je op het hoogtepunt moeten stoppen, Jackie-boy’, roep ik. Ik klink erg familiaar voor iemand die Jack alleen van tv kent.
Jack klopt op het scherm, alsof hij uit de televisie wil ontsnappen. ‘Help me’, fluistert hij. ‘Ze willen me niet laten gaan. En ik heb zojuist in mijn broek gescheten’.
Ik voel medelijden met Jack, maar aan de andere kant vind ik het ook een onsmakelijke oude vent. De walging wint het. Ik zet de tv uit.
Naast me ligt de Mikrogids. Ik blader naar pagina negen. Daar staat het in grote schreeuwerige letters aangekondigd: ‘Vanaf januari op net 7, ‘24’, seizoen 38. Jack heeft in zijn broek gescheten en hij heeft 24 uur om een wc te vinden’.
Ik schrik wakker.
2 November 2009

Ik sta in het laboratorium van professor Barabas. Hij is bezig met een experiment en vraagt of ik hem wil assisteren. Terwijl we een konijn aan het ontleden zijn stel ik hem een vraag.
‘Professor, Waarom bent U niet met de teletijdmachine terug in de tijd gegaan om Hitler te stoppen?’
Eerst ontwijkt Barabas de vraag, maar wanneer ik aanhoudt legt hij het bloederige konijn opzij en pakt mijn hand.
‘Omdat het niets zou hebben uitgemaakt’, zegt hij. ‘Je kunt het verleden niet veranderen, je kunt er alleen jolige avonturen beleven’.
Barabas loopt naar een tafeltje waarop een vreemd, langwerpig apparaat ligt.
Hij pakt het en houdt het voor mijn neus.
‘Nee, die teletijdmachine, dat is niks’, zegt hij, ‘maar dit daarentegen, dit is de toekomst!’
Hij zwaait met het apparaat en begint triomfantelijk te lachen. Wanneer hij weer spreekt, is zijn stem zwanger van emotie
‘Dit is een Telezaproosterdildo’, zegt de professor.
‘Een afstandbediening die je ook kunt gebruiken als dildo en waarmee je brood kunt roosteren!’
Barabas vraagt of ik een demonstratie wil zien. Ik schud van nee.
Ik schrik wakker.