Mijn dromen, deel zeven

26 October 2009

images8.jpeg

Ik loop in de sneeuw. Ik zie geen hand voor ogen; er is alleen maar mist en kou. Dan hoor ik hoor geschreeuw uit de verte. Ik begin te rennen. Het geschreeuw houdt aan en wordt harder. Eerst denk ik nog dat het de doodskreet is van een dier is dat wordt gevild, maar als ik op vijftig meter ben besef ik dat deze geluiden worden gemaakt door een mens. Dan zie ik het. Een paar kinderen zijn aan het intrappen op een oudere man. Wanneer ze me ontwaren, zetten ze het op een lopen. Lafaards. Ik loop naar de oude man. Hij ligt languit op de grond. Wanneer ik op minder dan een meter van hem ben, keert hij zich op.
Het is de Kerstman.
‘Ho ho ho’, zegt hij.
Maar het klinkt niet vrolijk. Het klinkt zwaar sarcastisch.
‘Gaat het?’, vraag ik.
De Kerstman rochelt op de grond, langdurig en met veel geweld. Dan kijkt hij me aan.
‘Je denkt zeker dat je punten hebt gescoord?’, vraagt hij. ‘Omdat je ‘vadertje kerstmis’ hebt gered. Denk je dat je nou meer cadeautjes krijgt? Vergeet het maar, smerige parasiet. Een bak met kots kan je krijgen’.
De Kerstman veegt wat bloed van zijn mond en zet dan een zonnebril op. Zonder me nog een keer aan te kijken schuifelt hij weg bij me vandaan.
‘Tonto, Barry, Klazina, waar zijn jullie?’, is het laatste dat ik hem hoor roepen.
Ik schrik wakker.

Comments are closed.