Mijn dromen, deel zes

26 October 2009

images7.jpeg

Ik kijk uit mijn raam en zie in de verte een kernbom ontploffen. Twee seconden later is mijn huis omringd door een leger van gemuteerde zombies die grommend en schreeuwend op mijn voordeur afwaggelen. Een van de zombies loopt wat kwieker dan de rest. Ik kijk eens goed. Het is geen zombie, maar mijn kapper, Gert de Bussonaire.
Ik steek mijn hoofd door het raam.
‘Zijn wij de enige overlevenden?’, schreeuw ik.
‘Ik ben dood’, roept een zombie.
‘Ik heb het niet tegen jou, ik heb het tegen mijn kapper’, schreeuw ik.
‘Hoezo heb jij een eigen kapper?’, vraagt een andere zombie.
‘Het is niet echt ‘mijn’ kapper, maar ik kom wel eens in zijn winkel’, schreeuw ik.
Opeens voel ik een prik in mijn nek. Ik draai me om en kijk recht in het gezicht van Gert du Busonairre.
Zijn magere gezicht is bezweet en zijn oranje hanenkam hangt als een dikke spaghettisliert van zijn voorhoofd. Ik lees angst in zijn ogen. Angst vermengd met kloeke vastberadenheid.
‘We hadden voor vandaag een afspraak’, zegt Gert met raspende stem. ‘Mijn winkel is opgeblazen, dus ik dacht: ik kom op huisbezoek. Ik vind het einde van de wereld geen reden om je werk te versloffen. Heb ik gelijk of niet?’.
Hij begint me te knippen, en terwijl we de horde zombies langzaam de trap horen opkomen, probeert hij manmoedig de sfeer erin te houden.
‘Het is me wat, he? Met al die kernbommen en dooien’, babbelt hij.
In de reflectie van het raam zie ik een zombie opdoemen achter Gert. Ik wil hem waarschuwen, maar ik besef dat ik er geen zin in heb.
Voordat Gerts hoofd van zijn romp wordt gerukt, spreekt hij nog een laatste zin.
‘Trouwens, het was technisch gesproken niet echt ‘mijn’ winkel. Ik werkte er alleen maar’.
Ik schrik wakker.

Comments are closed.